PARAGRAAF 2
DE VERWERKING VAN BIJZONDERE
PERSOONSGEGEVENS
Artikel 16
De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of
levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven,
alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging is
verboden behoudens het bepaalde in deze paragraaf. Hetzelfde geldt voor
strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig of
hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat
gedrag.
Artikel 17
1. Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of
levensovertuiging te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van
toepassing indien de verwerking geschiedt door:
a. kerkgenootschappen, zelfstandige onderdelen daarvan of andere
genootschappen op geestelijke grondslag voor zover het gaat om gegevens van
daartoe behorende personen;
b. instellingen op godsdienstige of
levensbeschouwelijke grondslag, voor zover dit gelet op het doel van de
instelling en voor de verwezenlijking van haar grondslag noodzakelijk is, of
c. andere instellingen voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de
geestelijke verzorging van de betrokkene, tenzij deze daartegen schriftelijk
bezwaar heeft gemaakt.
2. In de gevallen als bedoeld in het eerste lid,
onder a, is het verbod tevens niet van toepassing op persoonsgegevens
betreffende godsdienst of levensovertuiging van de gezinsleden van de
betrokkene voor zover:
a. het betreffende genootschap met die gezinsleden uit hoofde van haar
doelstelling regelmatige contacten onderhoudt en
b. die gezinsleden
daartegen geen schriftelijk bezwaar hebben gemaakt.
3. In de gevallen als
bedoeld in het eerste en tweede lid worden geen persoonsgegevens aan derden
verstrekt zonder toestemming van de betrokkene.
Artikel 18
Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands ras te verwerken als
bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt:
a. met het oog op de identificatie van de betrokkene en slechts voor
zover dit voor dit doel onvermijdelijk is;
b. met het doel personen van
een bepaalde etnische of culturele minderheidsgroep een bevoorrechte positie
toe te kennen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te
verminderen slechts indien:
1°. dit voor dat doel noodzakelijk is;
2°. de gegevens slechts
betrekking hebben op het geboorteland van de betrokkene, van diens ouders
of grootouders, dan wel andere, bij wet vastgestelde criteria, op grond
waarvan op objectieve wijze vastgesteld kan worden of iemand tot een
minderheidsgroep als bedoeld in de aanhef van onderdeel b behoort,
en
3°. de betrokkene daartegen geen schriftelijk bezwaar heeft gemaakt.
Artikel 19
1. Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands politieke gezindheid
te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de
verwerking geschiedt:
a. door instellingen op politieke grondslag betreffende hun leden of hun
werknemers dan wel andere tot de instelling behorende personen, voor zover
dit gelet op het doel van de instelling noodzakelijk is voor de
verwezenlijking van haar grondslag, of
b. met het oog op de eisen die met
betrekking tot politieke gezindheid in redelijkheid kunnen worden gesteld in
verband met de vervulling van functies in bestuursorganen en adviescolleges.
2. In het geval als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden geen
persoonsgegevens aan derden verstrekt zonder toestemming van de betrokkene.
Artikel 20
1. Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands lidmaatschap van een
vakbond te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien
de verwerking geschiedt door de betreffende vakbond of de vakcentrale waarvan
die bond een onderdeel vormt, voor zover dat gelet op de doelstelling van de
vakbond of centrale noodzakelijk is.
2. In het geval als bedoeld in het
eerste lid worden geen persoonsgegevens aan derden verstrekt zonder
toestemming van de betrokkene.
Artikel 21
1. Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid te
verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de
verwerking geschiedt door:
a. hulpverleners, instellingen of voorzieningen voor gezondheidszorg of
maatschappelijke dienstverlening voor zover dat met het oog op een goede
behandeling of verzorging van de betrokkene, dan wel het beheer van de
betreffende instelling of beroepspraktijk noodzakelijk is;
b.
verzekeraars als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993, verzekeraars als bedoeld in artikel 1,
onder c, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en
tussenpersonen en sub-agenten als bedoeld in artikel 1, onder b en c, van de
Wet assurantiebemiddelingsbedrijf voor zover dat noodzakelijk is voor:
1°. de beoordeling van het door de verzekeringsinstelling te
verzekeren risico en de betrokkene geen bezwaar heeft gemaakt of
2°.
de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst;
c. scholen voor zover
dat met het oog op de speciale begeleiding van leerlingen of het treffen van
bijzondere voorzieningen in verband met hun gezondheidstoestand noodzakelijk
is;
d. een reclasseringsinstelling, een bijzondere
reclasseringsambtenaar, de raad voor de kinderbescherming of voogdij- en
gezinsvoogdijinstellingen, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering
van de hun wettelijk opgedragen taken;
e. Onze Minister van Justitie voor
zover dat in verband met de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of
vrijheidsbenemende maatregelen noodzakelijk is of
f. bestuursorganen,
pensioenfondsen, werkgevers of instellingen die te hunnen behoeve werkzaam
zijn voor zover dat noodzakelijk is voor:
1°. een goede uitvoering van wettelijke voorschriften,
pensioenregelingen of collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in
aanspraken die afhankelijk zijn van de gezondheidstoestand van de
betrokkene of
2°. de reïntegratie of begeleiding van werknemers of
uitkeringsgerechtigden in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid.
2. In de gevallen als bedoeld in het eerste lid worden de gegevens
alleen verwerkt door personen die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk
voorschrift, dan wel krachtens een overeenkomst tot geheimhouding zijn
verplicht. Indien de verantwoordelijke gegevens persoonlijk verwerkt en op hem
niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift een
geheimhoudingsplicht rust, is hij verplicht tot geheimhouding van de gegevens,
behoudens voor zover de wet hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de
noodzaak voortvloeit dat de gegevens worden meegedeeld aan anderen die
krachtens het eerste lid bevoegd zijn tot verwerking daarvan.
3. Het verbod
om andere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 te verwerken, is niet van
toepassing voor zover dit noodzakelijk is in aanvulling op de verwerking van
persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid als bedoeld in het eerste lid,
onder a, met het oog op een goede behandeling of verzorging van de
betrokkene.
4. Persoonsgegevens betreffende erfelijke eigenschappen mogen
slechts worden verwerkt voor zover deze verwerking plaatsvindt met betrekking
tot de betrokkene bij wie de betreffende gegevens zijn verkregen, tenzij:
a. een zwaarwegend geneeskundig belang prevaleert of
b. de verwerking
noodzakelijk is ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek. In
het geval als bedoeld onder b, is artikel 23, eerste lid, onder a, en tweede
lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen omtrent de toepassing van het eerste lid, onder b en f, nadere
regels worden gesteld.
Artikel 22
1. Het verbod om strafrechtelijke persoonsgegevens te verwerken als bedoeld
in artikel 16, is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door
organen die krachtens de wet zijn belast met de toepassing van het strafrecht,
alsmede door verantwoordelijken die deze hebben verkregen krachtens de Wet
politieregisters of de Wet op de justitiële documentatie en op de
verklaringen omtrent het gedrag.
2. Het verbod is niet van toepassing op de
verantwoordelijke die deze gegevens ten eigen behoeve verwerkt ter:
a. beoordeling van een verzoek van betrokkene om een beslissing over hem
te nemen of aan hem een prestatie te leveren of
b. bescherming van zijn
belangen voor zover het gaat om strafbare feiten die zijn of op grond van
feiten en omstandigheden naar verwachting zullen worden gepleegd jegens hem
of jegens personen die in zijn dienst zijn.
3. De verwerking van deze
gegevens over personeel in dienst van de verantwoordelijke, vindt plaats
overeenkomstig regels die zijn vastgesteld in overeenstemming met de procedure
als bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden.
4. Het verbod is niet van
toepassing wanneer deze gegevens ten behoeve van derden worden verwerkt:
a. door verantwoordelijken die optreden krachtens een vergunning op
grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
of
b. indien deze derde een rechtspersoon betreft die in dezelfde groep
is verbonden als bedoeld in artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek,
of
c. indien passende en specifieke waarborgen zijn getroffen en de
procedure is gevolgd, bedoeld in artikel 31.
5. Het verbod om andere
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16, te verwerken, is niet van
toepassing voor zover dit noodzakelijk is in aanvulling op de verwerking van
strafrechtelijke gegevens voor de doeleinden waarvoor deze gegevens worden
verwerkt.
6. Het tweede tot en met vijfde lid is van overeenkomstige
toepassing op persoonsgegevens betreffende een door de rechter opgelegd verbod
naar aanleiding van onrechtmatig of hinderlijk gedrag.
7. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de passende en
specifieke waarborgen, bedoeld in het vierde lid, onder c.
Artikel 23
1. Onverminderd de artikelen 17 tot en met 22 is het verbod om
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16, te verwerken niet van toepassing
voor zover:
a. dit geschiedt met uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene;
b.
de gegevens door de betrokkene duidelijk openbaar zijn gemaakt;
c. dit
noodzakelijk is voor de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van
een recht in rechte;
d. dit noodzakelijk is ter voldoening aan een
volkenrechtelijke verplichting of
e. dit noodzakelijk is met het oog op
een zwaarwegend algemeen belang, passende waarborgen worden geboden ter
bescherming van de persoonlijke levenssfeer en dit bij wet wordt bepaald dan
wel het College ontheffing heeft verleend. Het College kan bij de verlening
van ontheffing beperkingen en voorschriften opleggen.
2. Het verbod om
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16, te verwerken ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek of statistiek is niet van toepassing voor zover:
a. het onderzoek een algemeen belang dient,
b. de verwerking voor het
betreffende onderzoek of de betreffende statistiek noodzakelijk is,
c.
het vragen van uitdrukkelijke toestemming onmogelijk blijkt of een
onevenredige inspanning kost en
d. bij de uitvoering is voorzien in
zodanige waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet
onevenredig wordt geschaad.
3. Verwerkingen als bedoeld in het eerste
lid, onder e, worden bij de Europese Commissie gemeld. Onze Minister wie het
aangaat verricht de melding indien de verwerking bij wet is voorzien. Het
College verricht de melding indien het voor de verwerking ontheffing heeft
verleend.
Artikel 24
1. Een nummer dat ter identificatie van een persoon bij wet is
voorgeschreven, wordt bij de verwerking van persoonsgegevens slechts gebruikt
ter uitvoering van de betreffende wet dan wel voor doeleinden bij de wet
bepaald.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere dan in het
eerste lid bedoelde gevallen worden aangewezen waarin een daarbij aan te
wijzen nummer als bedoeld in het eerste lid, kan worden gebruikt. Daarbij
kunnen nadere regels worden gegeven over het gebruik van een zodanig nummer.
HOOFDSTUK 3
GEDRAGSCODES
Artikel 25
1. De organisatie of organisaties, die voornemens zijn een gedragscode vast
te stellen, kunnen de College verzoeken te verklaren dat de daarin opgenomen
regels, gelet op de bijzondere kenmerken van de sector of sectoren van de
samenleving waarin deze organisaties werkzaam zijn, een juiste uitwerking
vormen van deze wet of van andere wettelijke bepalingen betreffende de
verwerking van persoonsgegevens. Indien een gedragscode voorziet in
beslechting van geschillen over de naleving ervan, kan het College de
verklaring slechts afgeven indien is voorzien in waarborgen met betrekking tot
de onafhankelijkheid.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing
op wijzigingen of verlengingen van bestaande gedragscodes.
3. Het College
neemt het verzoek slechts in behandeling, indien naar zijn oordeel de
verzoeker of verzoekers voldoende representatief zijn en de betrokken sector
of de sectoren in de code voldoende nauwkeurig zijn omschreven.
4. Een
beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, geldt als een besluit
in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Op de voorbereiding ervan is de
in Afdeling 3.4 van die wet geregelde procedure van toepassing. De beslissing
dient binnen een redelijke termijn te worden genomen met dien verstande dat
deze termijn niet langer bedraagt dan dertien weken.
5. De verklaring geldt
voor de termijn waarvoor de gedragscode zal gaan gelden echter niet voor
langer dan vijf jaar na het tijdstip waarop de verklaring is bekend gemaakt.
Wordt de verklaring gevraagd voor een wijziging van een gedragscode waarvoor
reeds eerder een verklaring is afgegeven, dan geldt deze voor de duur van de
eerder afgegeven verklaring.
6. De verklaring wordt, tezamen met de
gedragscode waarop zij betrekking heeft, door de zorg van het College in de
Staatscourant geplaatst.
Artikel 26
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een bepaalde sector
nadere regels worden gesteld inzake de in de artikelen 6 tot en met 11 en 13
geregelde onderwerpen.
2. Het College geeft in zijn jaarverslag aan in
hoeverre naar zijn oordeel toepassing van het eerste lid wenselijk is.
HOOFDSTUK 4
MELDING EN VOORAFGAAND ONDERZOEK
PARAGRAAF 1
DE MELDING
Artikel 27
1. Een geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van
persoonsgegevens die voor de verwezenlijking van een doeleinde of van
verscheidene samenhangende doeleinden bestemd is, wordt alvorens met de
verwerking wordt aangevangen gemeld bij het College of de functionaris.
2.
Een niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die voor de
verwezenlijking van een doeleinde of van verscheidene samenhangende doeleinden
bestemd is, wordt gemeld indien deze is onderworpen aan voorafgaand onderzoek.
Artikel 28
1. De melding behelst een opgave van:
a. de naam en het adres van de verantwoordelijke;
b. het doel of de
doeleinden van de verwerking;
c. een beschrijving van de categorieën van
betrokkenen en van de gegevens of categorieën van gegevens die daarop
betrekking hebben;
d. de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie
de gegevens kunnen worden verstrekt;
e. de voorgenomen doorgiften van
gegevens naar landen buiten de Europese Unie;
f. een algemene
beschrijving om een voorlopig oordeel te kunnen geven over de gepastheid van
de voorgenomen maatregelen om, ter toepassing van artikel 13 en 14, de
beveiliging van de verwerking te waarborgen.
2. De melding behelst het
doel of de doeleinden waarvoor de gegevens of de categorieën van gegevens zijn
of worden verzameld.
3. Een wijziging in de naam of het adres van de
verantwoordelijke wordt binnen een week gemeld. Wijzigingen in de opgave die
betrekking hebben op de onderdelen b tot en met f van het eerste lid, worden
telkens binnen een jaar na de voorafgaande melding gemeld voor zover zij
blijken van meer dan incidentele aard te zijn.
4. Een verwerking die
afwijkt van hetgeen overeenkomstig het eerste lid, onder b tot en met f, is
gemeld, wordt vastgelegd en bewaard gedurende ten minste drie jaren.
5. Bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de wijze waarop de melding dient te geschieden.
Artikel 29
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat daarbij aan te
geven verwerkingen van gegevens waarbij de inbreuk op de fundamentele rechten
en vrijheden van de betrokkene onwaarschijnlijk is, zijn vrijgesteld van de
melding, bedoeld in artikel 27.
2. Daarbij worden vastgesteld:
a. de doeleinden van de verwerking,
b. de verwerkte gegevens of
categorieën van verwerkte gegevens,
c. de categorieën van
betrokkenen,
d. de ontvangers of categorieën ontvangers aan wie de
gegevens worden verstrekt, en
e. de periode gedurende welke de gegevens
worden bewaard.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald,
indien dit noodzakelijk is met het oog op de opsporing van strafbare feiten in
een bepaald geval, dat daarbij aan te geven verwerkingen van gegevens door
verantwoordelijken die krachtens de wet met opsporing zijn belast, worden
vrijgesteld van de melding. Daarbij kunnen compenserende waarborgen ter
bescherming van persoonsgegevens worden vastgesteld. De verwerkte gegevens
kunnen slechts worden gebruikt voor de doeleinden die bij die algemene
maatregel van bestuur uitdrukkelijk zijn vermeld.
4. De verplichting tot
melding is niet van toepassing op openbare registers die bij de wet zijn
ingesteld alsmede op verstrekkingen aan een bestuursorgaan ingevolge een
wettelijke verplichting.
Artikel 30
1. Zowel het College als de functionaris houden een register bij van de bij
hen aangemelde gegevensverwerkingen. Het register bevat ten minste de
inlichtingen die zijn opgegeven krachtens artikel 28, eerste lid, onder a tot
en met e.
2. Het register kan door een ieder kosteloos worden
geraadpleegd.
3. De verantwoordelijke verstrekt een ieder die daarom
verzoekt de inlichtingen als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder a tot en
met e, omtrent de van de aanmelding vrijgestelde gegevensverwerkingen.
4.
Het derde lid is niet van toepassing op:
a. een gegevensverwerking die is vrijgesteld krachtens artikel 29, derde
lid;
b. openbare registers die bij de wet zijn ingesteld.
PARAGRAAF 2
VOORAFGAAND ONDERZOEK
Artikel 31
1. Het College stelt voorafgaand aan een verwerking een onderzoek in indien
de verantwoordelijke:
a. een nummer ter identificatie van personen voornemens is te verwerken
voor een ander doeleinde dan waarvoor het nummer specifiek bestemd is
teneinde gegevens in verband te kunnen brengen met gegevens die worden
verwerkt door een andere verantwoordelijke, tenzij het gebruik van het
nummer geschiedt voor de gevallen als omschreven in artikel 24;
b.
voornemens is gegevens vast te leggen op grond van eigen waarneming zonder
de betrokkene daarvan op de hoogte te stellen, of
c. anders dan krachtens
een vergunning op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en
recherchebureaus voornemens is strafrechtelijke gegevens of gegevens over
onrechtmatig of hinderlijk gedrag te verwerken ten behoeve van derden.
2.
Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing op openbare registers die bij
de wet zijn ingesteld.
3. Bij wet of algemene maatregel van bestuur kunnen
andere gegevensverwerkingen die een bijzonder risico inhouden voor de
persoonlijke rechten en vrijheden van de betrokkene worden aangewezen waarop
het eerste lid van toepassing is. Het College geeft in zijn jaarverslag aan in
hoeverre naar zijn oordeel een dergelijke aanwijzing wenselijk is.
4. Het
College meldt een verwerking als bedoeld in het eerste lid, onder c, bij de
Europese Commissie.
Artikel 32
1. Een gegevensverwerking waarop artikel 31, eerste lid, van toepassing is,
wordt als zodanig door de verantwoordelijke bij het College gemeld.
2. De
melding van een zodanige gegevensverwerking verplicht de verantwoordelijke de
verwerking die hij voornemens is te verrichten, op te schorten totdat het
onderzoek van het College is afgerond dan wel hij een bericht heeft ontvangen
dat niet tot nader onderzoek wordt overgegaan.
3. In geval van een melding
van een gegevensverwerking waarop artikel 31, eerste lid, van toepassing is,
besluit het College schriftelijk binnen vier weken na de melding of het tot
nader onderzoek overgaat.
4. In het besluit tot nader onderzoek over te
gaan geeft het College aan binnen welke termijn het voornemens is dit
onderzoek te verrichten. Deze termijn bedraagt niet langer dan dertien
weken.
5. Het nader onderzoek, bedoeld in het vierde lid, leidt tot een
verklaring omtrent de rechtmatigheid van de gegevensverwerking.
6. De
verklaring van het College geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht. Op de voorbereiding ervan is de in Afdeling 3.4 van die wet
geregelde procedure van toepassing.
HOOFDSTUK 5
INFORMATIEVERSTREKKING AAN DE BETROKKENE
Artikel
33
1. Indien persoonsgegevens worden verkregen bij de betrokkene, deelt de
verantwoordelijke vóór het moment van de verkrijging de betrokkene de
informatie mede, bedoeld in het tweede en derde lid, tenzij de betrokkene
daarvan reeds op de hoogte is.
2. De verantwoordelijke deelt de betrokkene
zijn identiteit en de doeleinden van de verwerking waarvoor de gegevens zijn
bestemd, mede.
3. De verantwoordelijke verstrekt nadere informatie voor
zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder zij
worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt, nodig is om tegenover
de betrokkene een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen.
Artikel 34
1. Indien persoonsgegevens worden verkregen op een andere wijze dan bedoeld
in artikel 33, deelt de verantwoordelijke de betrokkene de informatie mede,
bedoeld in het tweede en derde lid, tenzij deze reeds daarvan op de hoogte is:
a. op het moment van vastlegging van hem betreffende gegevens, of
b.
wanneer de gegevens bestemd zijn om te worden verstrekt aan een derde,
uiterlijk op het moment van de eerste verstrekking.
2. De
verantwoordelijke deelt de betrokkene zijn identiteit en de doeleinden van de
verwerking mede.
3. De verantwoordelijke verstrekt nadere informatie voor
zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder zij
worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt, nodig is om tegenover
de betrokkene een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing indien mededeling van de informatie aan
de betrokkene onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost. In dat
geval legt de verantwoordelijke de herkomst van de gegevens vast.
5. Het
eerste lid is evenmin van toepassing indien de vastlegging of de verstrekking
bij of krachtens de wet is voorgeschreven. In dat geval dient de
verantwoordelijke de betrokkene op diens verzoek te informeren over het
wettelijk voorschrift dat tot de vastlegging of verstrekking van de hem
betreffende gegevens heeft geleid.
HOOFDSTUK 6
RECHTEN VAN DE BETROKKENE
Artikel 35
1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke
tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te
delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De
verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of
hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.
2. Indien zodanige
gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan
in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de
verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft
en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare
informatie over de herkomst van de gegevens.
3. Voordat een
verantwoordelijke een mededeling doet als bedoeld in het eerste lid, waartegen
een derde naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt hij die derde in de
gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de mededeling
gegevens bevat die hem betreffen, tenzij dit onmogelijk blijkt of een
onevenredige inspanning kost.
4. Desgevraagd doet de verantwoordelijke
mededelingen omtrent de logica die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde
verwerking van hem betreffende gegevens.
Artikel 36
1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem
betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te
verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze
feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking
onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een
wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen
wijzigingen.
2. De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken
na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan
voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.
3. De verantwoordelijke
draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of
afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.
4. Indien de
persoonsgegevens zijn vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen
kunnen worden aangebracht, dan treft hij de voorzieningen die nodig zijn om de
gebruiker van de gegevens te informeren over de onmogelijkheid van
verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming ondanks het feit dat er
grond is voor aanpassing van de gegevens op grond van dit artikel.
5. Het
bepaalde in het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing op bij de
wet ingestelde openbare registers, indien in die wet een bijzondere procedure
voor de verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van gegevens is
opgenomen.
Artikel 37
1. Indien een gewichtig belang van de verzoeker dit eist, voldoet de
verantwoordelijke aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 35 en 36, in een
andere dan schriftelijke vorm, die aan dat belang is aangepast.
2. De
verantwoordelijke draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de
identiteit van de verzoeker.
3. De verzoeken, bedoeld in de artikelen 35 en
36, worden ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog
niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden gedaan door
hun wettelijke vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt eveneens
aan de wettelijke vertegenwoordigers.
Artikel 38
1. De verantwoordelijke die naar aanleiding van een verzoek op grond van
artikel 36 persoonsgegevens heeft verbeterd, aangevuld, verwijderd of
afgeschermd, is verplicht om aan derden aan wie de gegevens daaraan
voorafgaand zijn verstrekt, zo spoedig mogelijk kennis te geven van de
verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming, tenzij dit onmogelijk
blijkt of een onevenredige inspanning kost.
2. De verantwoordelijke doet
aan de verzoeker, bedoeld in artikel 36, desgevraagd opgave van degenen aan
wie hij de mededeling heeft gedaan.
Artikel 39
1. De verantwoordelijke kan voor een bericht als bedoeld in artikel 35 een
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen vergoeding van
kosten verlangen die ten hoogste f 10 bedraagt.
2. De vergoeding wordt
teruggegeven in geval de verantwoordelijke op verzoek van de betrokkene, op
aanbeveling van het College of op bevel van de rechter tot verbetering,
aanvulling, verwijdering of afscherming is overgegaan.
3. Het bedrag
genoemd in het eerste lid kan in bijzondere gevallen bij algemene maatregel
van bestuur worden gewijzigd.
Artikel 40
1. Indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8,
onder e en f, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen
tijde verzet aantekenen in verband met zijn bijzondere persoonlijke
omstandigheden.
2. De verantwoordelijke beoordeelt binnen vier weken na
ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd is. Indien het verzet
gerechtvaardigd is beëindigt hij terstond de verwerking.
3. De
verantwoordelijke kan voor het in behandeling nemen van een verzet een
vergoeding van kosten verlangen, die niet hoger mag zijn dan een bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag. De vergoeding
wordt teruggegeven in geval het verzet gegrond wordt bevonden.
4. Dit
artikel is niet van toepassing op openbare registers die bij de wet zijn
ingesteld.
Artikel 41
1. Indien gegevens worden verwerkt in verband met de totstandbrenging of de
instandhouding van een directe relatie tussen de verantwoordelijke of een
derde en de betrokkene met het oog op werving voor commerciële of charitatieve
doelen, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde
kosteloos verzet aantekenen.
2. In geval van verzet treft de
verantwoordelijke de maatregelen om deze vorm van verwerking terstond te
beëindigen.
3. De verantwoordelijke die voornemens is persoonsgegevens aan
derden te verstrekken of voor rekening van derden te gebruiken voor het in het
eerste lid bedoelde doel, neemt passende maatregelen om de betrokkenen de
mogelijkheden bekend te maken tot het doen van verzet. De bekendmaking vindt
plaats via één of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huis-bladen of op een andere
geschikte wijze. Bij regelmatige verstrekking aan derden of gebruik voor
rekening van derden vindt de bekendmaking ten minste eens per jaar
plaats.
4. De verantwoordelijke die persoonsgegevens verwerkt voor het in
het eerste lid bedoelde doel, draagt zorg dat, indien daartoe rechtstreeks een
boodschap aan de betrokkene wordt toegezonden, deze daarbij telkens wordt
gewezen op de mogelijkheid tot het doen van verzet.
Artikel 42
1. Niemand kan worden onderworpen aan een besluit waaraan voor hem
rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem in aanmerkelijke mate treft, indien
dat besluit alleen wordt genomen op grond van een geautomatiseerde verwerking
van persoonsgegevens bestemd om een beeld te krijgen van bepaalde aspecten van
zijn persoonlijkheid.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien het
daar bedoelde besluit:
a. wordt genomen in het kader van het sluiten of uitvoeren van een
overeenkomst en
1°. aan het verzoek van de betrokkene is voldaan of
2°. passende
maatregelen zijn genomen ter bescherming van zijn gerechtvaardigd belang,
of
b. zijn grondslag vindt in een wet waarin maatregelen zijn
vastgelegd die strekken tot bescherming van het gerechtvaardigde belang van
de betrokkene.
3. Een passende maatregel als bedoeld in het tweede lid,
onder a, is getroffen indien de betrokkene in de gelegenheid is gesteld
omtrent het besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn zienswijze naar voren
te brengen.
4. In het geval, bedoeld in het tweede lid, deelt de
verantwoordelijke de betrokkene de logica mee die ten grondslag ligt aan de
geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens.
HOOFDSTUK 7
UITZONDERINGEN EN BEPERKINGEN
Artikel 43
De verantwoordelijke kan de artikelen 9, eerste lid, 30, derde lid, 33, 34
en 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang
van:
a. de veiligheid van de staat;
b. de voorkoming, opsporing en
vervolging van strafbare feiten;
c. gewichtige economische en financiële
belangen van de staat en andere openbare lichamen;
d. het toezicht op de
naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de
belangen, bedoeld onder b en c, of
e. de bescherming van de betrokkene of
van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 44
1. Indien een verwerking plaatsvindt door instellingen of diensten voor
wetenschappelijk onderzoek of statistiek, en de nodige voorzieningen zijn
getroffen om te verzekeren dat de persoonsgegevens uitsluitend voor
statistische en wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt, kan de
verantwoordelijke een mededeling als bedoeld in artikel 34 achterwege laten en
weigeren aan een verzoek als bedoeld in artikel 35 te voldoen.
2. Indien
een verwerking plaatsvindt van persoonsgegevens die deel uitmaken van
archiefbescheiden die ingevolge de artikelen 12 of 13 van de Archiefwet 1995
zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, kan de verantwoordelijke een
mededeling als bedoeld in artikel 34 achterwege laten.
HOOFDSTUK 8
RECHTSBESCHERMING
Artikel 45
Een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid,
35, 36 en 38, tweede lid, alsmede een beslissing naar aanleiding van de
aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 gelden voor zover
deze is genomen door een bestuursorgaan als een besluit in de zin van de
Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 46
1. Indien een beslissing als bedoeld in artikel 45 is genomen door een
ander dan een bestuursorgaan, kan de belanghebbende zich tot de
arrondissementsrechtbank wenden met het schriftelijk verzoek, de
verantwoordelijke te bevelen alsnog een verzoek als bedoeld in de artikelen
30, derde lid, 35, 36 of 38, tweede lid, toe of af te wijzen dan wel een
verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 al dan niet te honoreren.
2.
Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen zes weken na ontvangst van het
antwoord van de verantwoordelijke. Indien de verantwoordelijke niet binnen de
gestelde termijn heeft geantwoord, moet het verzoekschrift worden ingediend
binnen zes weken na afloop van die termijn.
3. De rechtbank wijst het
verzoek toe, voor zover zij dit gegrond oordeelt. Alvorens de rechtbank
beslist, stelt zij zo nodig de belanghebbenden in de gelegenheid hun
zienswijze naar voren te brengen.
4. De twaalfde titel van het Eerste Boek
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met uitzondering van artikel
429d, derde lid, is van toepassing. Artikel 345 van dat wetboek is niet van
toepassing.
5. De derde afdeling van de vijfde titel van het Tweede Boek
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige
toepassing.
6. De rechtbank kan partijen en anderen verzoeken binnen een
door haar te bepalen termijn schriftelijke inlichtingen te geven en onder hen
berustende stukken in te zenden. De verantwoordelijke en belanghebbende zijn
verplicht aan dit verzoek te voldoen. De artikelen 8:45, tweede en derde lid,
en 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 47
1. De belanghebbende kan zich ook binnen de termijn bepaald voor het beroep
op grond van de Algemene wet bestuursrecht, dan wel die, bedoeld in artikel
46, tweede lid, tot het College wenden met het verzoek te bemiddelen of te
adviseren in zijn geschil met de verantwoordelijke, dan wel gebruik maken van
een geschillenbeslechtingsregeling op grond van een gedragscode ten aanzien
waarvan een verklaring is afgegeven als bedoeld in artikel 25, eerste lid. In
dat geval kan in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
het beroep nog worden ingesteld, dan wel de procedure ingevolge artikel 46 nog
aanhangig worden gemaakt nadat de belanghebbende van het College of ingevolge
een geschillenbeslechtingsregeling op grond van een gedragscode ten aanzien
waarvan een verklaring is afgegeven als bedoeld in artikel 25, eerste lid.
bericht heeft ontvangen dat de behandeling van de zaak is beëindigd, doch
uiterlijk tot zes weken na dat tijdstip.
2. Tijdens de behandeling van het
beroep en de procedure, bedoeld in het eerste lid, kunnen de instanties die
zijn belast met de behandeling van het geschil, het advies van het College
inwinnen.
Artikel 48
De instanties die zijn belast met de behandeling van het geschil, zenden
afschrift van hun uitspraak aan het College.
Artikel 49
1. Indien iemand schade lijdt doordat ten opzichte van hem in strijd wordt
gehandeld met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften zijn de
volgende leden van toepassing, onverminderd de aanspraken op grond van andere
wettelijke regels.
2. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat,
heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen
schadevergoeding.
3. De verantwoordelijke is aansprakelijk voor de schade
of het nadeel, voortvloeiende uit het niet-nakomen van de in het eerste lid
bedoelde voorschriften. De bewerker is aansprakelijk voor die schade of dat
nadeel, voor zover ontstaan door zijn werkzaamheid.
4. De verantwoordelijke
of de bewerker kan geheel of gedeeltelijk worden ontheven van deze
aansprakelijkheid, indien hij bewijst dat de schade hem niet kan worden
toegerekend.
Artikel 50
1. Indien de verantwoordelijke of de bewerker handelt in strijd met het bij
of krachtens deze wet bepaalde en een ander daardoor schade lijdt of dreigt te
lijden, kan de rechter hem op vordering van die ander zodanig gedrag verbieden
en hem bevelen maatregelen te treffen tot herstel van de gevolgen van dat
gedrag.
2. Een verwerking kan niet ten grondslag worden gelegd aan een
vordering van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht of artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek, voor
zover degene die door deze verwerking wordt getroffen, daartegen bezwaar
heeft.
HOOFDSTUK 9
TOEZICHT
PARAGRAAF 1
Het College bescherming persoonsgegevens
Artikel
51
1. Er is een College bescherming persoonsgegevens die tot taak heeft toe
te zien op de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig het bij en
krachtens de wet bepaalde. Tevens houdt het College toezicht op de verwerking
van persoonsgegevens in Nederland, wanneer de verwerking plaatsvindt
overeenkomstig het recht van een ander land van de Europese Unie.
2. Het
College wordt om advies gevraagd over voorstellen van wet en ontwerpen van
algemene maatregelen van bestuur die geheel of voor een belangrijk deel
betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens.
Artikel 52
1. Het College vervult overigens de taken, hem bij wet en ingevolge verdrag
opgedragen.
2. Het College vervult zijn taken in onafhankelijkheid.
Artikel 53
1. Het College bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. Bij het
College kunnen voorts buitengewone leden worden benoemd. Bij de benoeming van
buitengewone leden wordt spreiding over de onderscheidene sectoren van de
maatschappij nagestreefd.
2. De voorzitter moet voldoen aan de in artikel
48, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie gestelde vereisten
voor benoembaarheid tot rechter in een arrondissementsrechtbank.
3. De
voorzitter wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister,
benoemd voor een tijdvak van zes jaar. De andere twee leden en de buitengewone
leden worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, benoemd
voor een tijdvak van vier jaar. De leden kunnen terstond worden herbenoemd. Op
eigen verzoek worden zij door de Onze Minister ontslagen.
4. Er is een Raad
van advies die het College adviseert over algemene aspecten van de bescherming
van persoonsgegevens. De leden zijn afkomstig uit de onderscheidene sectoren
van de maatschappij en worden benoemd door Onze Minister op voordracht van het
College.
De leden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming
kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de vergoeding van de kosten aan
de leden vastgesteld.
Artikel 54
1. Aan een lid wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister, ontslag verleend met ingang van de eerste maand volgend op die
waarin hij de leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt.
2. Artikel 11 met
uitzondering van het bepaalde onder d, onder 3°, en de artikelen 12,
12a, 13, 13a en 13b van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 55
1. De voorzitter en de andere twee leden genieten een bezoldiging voor hun
werkzaamheden. De buitengewone leden genieten een zittingsgeld. Hun
rechtspositie wordt nader geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
2.
De voorzitter en de andere twee leden mogen zonder toestemming van Onze
Minister geen andere werkzaamheden verrichten waarvoor een beloning wordt
genoten indien deze werkzaamheden door hun aard of omvang onverenigbaar zijn
met hun werkzaamheden voor het College.
Artikel 56
1. Het College heeft een secretariaat, waarvan de ambtenaren door Onze
Minister, op voordracht van de voorzitter, worden benoemd, geschorst en
ontslagen.
2. De voorzitter geeft leiding aan de werkzaamheden van het
College en van het secretariaat.
3. Het College stelt een bestuursreglement
vast. Dit bevat in ieder geval regels over het financiële beheer en de
administratieve organisatie, alsmede over de werkwijzen en procedures met het
oog op een goede en zorgvuldige uitoefening van de verschillende taken.
Daarbij wordt voorzien in waarborgen tegen vermenging van de toezichthoudende,
adviserende en sanctionerende taak van het College. Tevens kan het een nadere
regeling geven van het functioneren van de Raad van advies, als bedoeld in
artikel 53, vierde lid.
4. Het reglement alsmede elke wijziging daarvan
wordt zo spoedig mogelijk gezonden aan Onze Minister en behoeft diens
goedkeuring.
Artikel 57
1. Het College wordt vertegenwoordigd door de voorzitter en de twee andere
leden, dan wel door een van hen.
2. De leden stellen een verdeling van
taken vast en betrekken hierbij zoveel mogelijk de buitengewone leden.
Artikel 58
Het College stelt jaarlijks vóór 1 september een verslag op van de
werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en
doeltreffendheid van zijn werkwijze in het bijzonder in het afgelopen
kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister en aan de functionarissen
voor de gegevensbescherming als bedoeld in artikel 62 toegezonden en algemeen
verkrijgbaar gesteld.
Artikel 59
1. Het College verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de
uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage
vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de
vervulling van zijn taak nodig is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien het College de informatie van derden heeft verkregen onder de
voorwaarde dat het geheime karakter daarvan wordt gehandhaafd.
Artikel 60
1. Het College kan ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende, een
onderzoek instellen naar de wijze waarop ten aanzien van gegevensverwerking
toepassing wordt gegeven aan het bepaalde bij of krachtens de wet.
2. Het
College brengt zijn voorlopige bevindingen ter kennis van de verantwoordelijke
of groep van verantwoordelijken die bij het onderzoek zijn betrokken en stelt
hen in de gelegenheid hun zienswijze daarop te geven. Houden de voorlopige
bevindingen verband met de uitvoering van enige wet, dan brengt het College
deze tevens ter kennis van Onze Minister die het aangaat.
3. In geval van
een onderzoek, ingesteld op verzoek van een belanghebbende, doet het College
aan deze mededeling van zijn bevindingen, tenzij zodanige mededeling
onverenigbaar is met het doel van de gegevensverwerking of de aard van de
persoonsgegevens, dan wel gewichtige belangen van anderen dan de verzoeker, de
verantwoordelijke daaronder begrepen, daardoor onevenredig zouden worden
geschaad. Indien het mededeling van zijn bevindingen achterwege laat, zendt
het de belanghebbende zodanig bericht als zijn geraden voorkomt.
Artikel 61
1. Met het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 51, eerste lid
zijn belast de leden en buitengewone leden van het College, de ambtenaren van
het secretariaat van het College, alsmede de bij besluit van het College
aangewezen personen.
2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn bevoegd
een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.
3. De in het
eerste lid bedoelde personen behoeven voor de uitoefening van de in het tweede
lid omschreven bevoegdheid de uitdrukkelijke en bijzondere volmacht van het
College, onverminderd het bepaalde in artikel 2 van de Algemene wet op het
binnentreden.
4. Het College is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang
ter handhaving van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, voor zover het betreft de verplichting tot het verlenen van
medewerking aan een bij of krachtens het eerste lid aangewezen
ambtenaar.
5. Geen beroep is mogelijk op een geheimhoudingsplicht, voor
zover inlichtingen of medewerking wordt verlangd in verband met de eigen
betrokkenheid bij de verwerking van persoonsgegevens.
6. Het College is
desgevraagd verplicht aan de toezichthoudende autoriteiten van de andere
lidstaten van de Europese Unie alle medewerking te verlenen voor zover dat
noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taken.
PARAGRAAF 2
DE FUNCTIONARIS VOOR DE GEGEVENSBESCHERMING
Artikel
62
Een verantwoordelijke of een organisatie waarbij verantwoordelijken zijn
aangesloten kan een eigen functionaris voor de gegevensbescherming benoemen,
onverminderd de bevoegdheden van het College ingevolge hoofdstuk 9 en 10 van
deze wet.
Artikel 63
1. Als functionaris kan slechts worden benoemd een natuurlijke persoon die
voor de vervulling van zijn taak over toereikende kennis beschikt en voldoende
betrouwbaar kan worden geacht.
2. De functionaris kan wat betreft de
uitoefening van zijn functie geen aanwijzingen ontvangen van de
verantwoordelijke of van de organisatie die hem heeft benoemd. Hij ondervindt
geen nadeel van de uitoefening van zijn taak. De verantwoordelijke stelt de
functionaris in de gelegenheid zijn taak naar behoren te vervullen. De
functionaris kan de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de
verantwoordelijke gevolg dient te geven aan hetgeen in de tweede volzin is
bepaald.
3. De
functionaris oefent zijn taken eerst uit nadat de verantwoordelijke of de
organisatie die hem heeft benoemd, hem heeft aangemeld bij het College. Het
College houdt een lijst bij van aangemelde functionarissen.
4. De
functionaris is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem op grond van een
klacht of een verzoek van betrokkene is bekend geworden, tenzij de betrokkene
in bekendmaking toestemt.
5. De functionaris stelt jaarlijks een verslag op
van zijn werkzaamheden en bevindingen.
Artikel 64
1. De functionaris ziet toe op de verwerking van persoonsgegevens
overeenkomstig het bij en krachtens de wet bepaalde. Het toezicht strekt zich
uit tot de verwerking van persoonsgegevens door de verantwoordelijke die hem
heeft benoemd of door de verantwoordelijken die zijn aangesloten bij de
organisatie die hem heeft benoemd.
2. Indien op de verwerking een krachtens
artikel 25 vastgestelde gedragscode van toepassing is, strekt het toezicht
mede uit tot de naleving van deze code.
3. De verantwoordelijke of de
organisatie als bedoeld in het eerste lid draagt zorg dat de functionaris ter
vervulling van zijn taak over bevoegdheden beschikt die gelijkwaardig zijn aan
de bevoegdheden zoals geregeld in Afdeling 5.2 van de Algemene wet
bestuursrecht.
4. De functionaris kan aanbevelingen doen aan de
verantwoordelijke die strekken tot een betere bescherming van de gegevens die
worden verwerkt. In gevallen van twijfel overlegt hij met het College.
HOOFDSTUK 10
SANCTIES
PARAGRAAF 1
BESTUURSDWANG
Artikel 65
Het College is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van
de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
PARAGRAAF 2
BESTUURLIJKE BOETEN
Artikel 66
1. Indien de verantwoordelijke handelt in strijd met hetgeen bij of
krachtens artikel 27 of 28 is bepaald, kan het College hem een bestuurlijke
boete opleggen van ten hoogste tienduizend gulden.
2. Het College legt geen
boete op indien de verantwoordelijke aannemelijk maakt dat hem van de
overtreding geen verwijt kan worden gemaakt.
3. Bij de vaststelling van de
hoogte van de boete houdt het College in ieder geval rekening met de ernst en
de duur van de overtreding.
4. De werkzaamheden in verband met de
uitvoering van artikel 69 en 70 worden verricht door personen die niet
betrokken zijn geweest bij de opstelling van het in artikel 67, eerste lid,
bedoelde rapport en het daaraan voorafgaande onderzoek.
5. De bevoegdheid
tot het opleggen van een boete vervalt indien ter zake van de overtreding op
grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen de overtreder een
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang
heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge
artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 67
1. Indien het College vaststelt dat een overtreding als bedoeld in artikel
66, eerste lid, is begaan en dat daarvoor een boete dient te worden opgelegd,
maakt hij daarvan rapport op.
2. In het rapport worden in ieder geval
vermeld:
a. de overtreding, onder verwijzing naar het desbetreffende wettelijke
voorschrift;
b. een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop
de overtreding is begaan;
c. de feiten en omstandigheden op grond waarvan
is vastgesteld dat een overtreding is begaan;
3. Een afschrift van het
rapport wordt toegezonden aan de in artikel 66, eerste lid, bedoelde
verantwoordelijke.
4. Op verzoek van de verantwoordelijke die het rapport
wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt
draagt het College er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van het rapport
aan de betrokkene wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
Artikel 68
De verantwoordelijke jegens wie een handeling is verricht waaraan hij in
redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding
een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige
verklaring af te leggen. De verantwoordelijke wordt hiervan in kennis gesteld
alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
Artikel 69
1. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt
het College de verantwoordelijke als bedoeld in artikel 66, eerste lid, in de
gelegenheid om binnen een redelijke termijn naar keuze schriftelijk of
mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen.
2. Indien de
verantwoordelijke als bedoeld in artikel 66, eerste lid, zijn zienswijze
mondeling naar voren brengt en de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
draagt het College op verzoek van de verantwoordelijke zorg voor benoeming van
een tolk die de verantwoordelijke kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Artikel 70
1. Een boete wordt opgelegd bij beschikking van het College.
2. In de
beschikking worden in ieder geval vermeld:
a. de te betalen geldsom;
b. de overtreding ter zake waarvan zij is
gegeven, onder verwijzing naar het desbetreffende wettelijke
voorschrift;
c. de in artikel 67, tweede lid, onder b en c, bedoelde
gegevens;
3. Op verzoek van de verantwoordelijke die de beschikking
wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt
draagt het College er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van de
beschikking aan de verantwoordelijke wordt meegedeeld in een voor hem
begrijpelijke taal.
Artikel 71
De werking van een beschikking als bedoeld in artikel 70 wordt opgeschort
totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het
bezwaar is beslist.
Artikel 72
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt vijf jaren nadat de
overtreding is begaan.
Artikel 73
1. Een boete wordt betaald binnen zes weken nadat de beschikking waarbij de
boete is opgelegd, in werking is getreden.
2. Indien niet is betaald binnen
de in het eerste lid genoemde termijn, wordt degene die de boete is
verschuldigd schriftelijk bevolen binnen twee weken alsnog het bedrag van de
boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning te betalen.
3. Bij gebreke
van betaling binnen de in het tweede lid genoemde termijn, kan het College de
verschuldigde boete, verhoogd met de op de aanmaning en de invordering
betrekking hebbende kosten, invorderen bij dwangbevel.
4. Het dwangbevel
wordt op kosten van degene die de boete is verschuldigd bij
deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van
het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
5.
Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel
open door dagvaarding van de staat.
6. Het verzet schorst de
tenuitvoerlegging. Op verzoek van de staat kan de rechter de schorsing van de
tenuitvoerlegging opheffen.
Artikel 74
Onze Minister kan beleidregels vaststellen over de uitoefening van de
bevoegdheid van het College tot de oplegging van boeten.
PARAGRAAF 3
STRAFRECHTELIJKE SANCTIES
Artikel 75
1. De verantwoordelijke die in strijd handelt met hetgeen bij of krachtens
artikel 4, derde lid, 27, 28 of 78, tweede lid, onder a, is bepaald, wordt
gestraft met geldboete van de tweede categorie.
2. De verantwoordelijke die
een feit als bedoeld in het eerste lid, opzettelijk begaat, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde
categorie.
3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen. De in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn
misdrijven.
4. Met de opsporing van de in dit artikel omschreven feiten
zijn behalve de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen ambtenaren belast de door Onze Minister daartoe
aangewezen ambtenaren van het secretariaat van het College.
5. Het recht
tot strafvervolging vervalt indien het College reeds een boete heeft opgelegd.
HOOFDSTUK 11
GEGEVENSVERKEER MET LANDEN BUITEN DE EUROPESE
UNIE
Artikel 76
1. Persoonsgegevens die aan een verwerking worden onderworpen of die
bestemd zijn om na hun doorgifte te worden verwerkt, worden slechts naar een
land buiten de Europese Unie doorgegeven indien, onverminderd de naleving van
de wet, dat land een passend beschermingsniveau waarborgt.
2. Het passend
karakter van het beschermingsniveau wordt beoordeeld gelet op de
omstandigheden die op de doorgifte van gegevens of op een categorie
gegevensdoorgiften van invloed zijn. In het bijzonder wordt rekening gehouden
met de aard van de gegevens, met het doeleinde of de doeleinden en met de duur
van de voorgenomen verwerking of verwerkingen, het land van herkomst en het
land van eindbestemming, de algemene en sectoriële rechtsregels die in het
betrokken derde land gelden, alsmede de regels van het beroepsleven en de
veiligheidsmaatregelen die in die landen worden nageleefd.
Artikel 77
1. In afwijking van artikel 76 kan een doorgifte of een categorie van
doorgiften van persoonsgegevens naar een derde land dat geen waarborgen biedt
voor een passend beschermingsniveau, plaatsvinden indien:
a. de betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft
gegeven;
b. de doorgifte noodzakelijk is voor de uitvoering van een
overeenkomst tussen de betrokkene en de verantwoordelijke, of voor het nemen
van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de
betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een
overeenkomst;
c. de doorgifte noodzakelijk is voor de sluiting of
uitvoering van een in het belang van de betrokkene tussen de
verantwoordelijke en een derde gesloten of te sluiten overeenkomst;
d. de
doorgifte noodzakelijk is vanwege een zwaarwegend algemeen belang, of voor
de vaststelling, de uitvoering of de verdediging in rechte van enig
recht;
e. de doorgifte noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal
belang van de betrokkene, of
f. de doorgifte geschiedt vanuit een
register dat bij wettelijk voorschrift is ingesteld en dat door een ieder
dan wel door iedere persoon die zich op een gerechtvaardigd belang kan
beroepen, kan worden geraadpleegd, voor zover in het betrokken geval is
voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor raadpleging.
2. In afwijking
van het eerste lid, kan Onze Minister, gehoord het College, een vergunning
geven voor een doorgifte of een categorie doorgiften van persoonsgegevens naar
een derde land dat geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau biedt.
Aan de vergunning worden de nadere voorschriften verbonden die nodig zijn om
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de fundamentele rechten en
vrijheden van personen, alsmede de uitoefening van de daarmee verband houdende
rechten te waarborgen.
Artikel 78
1. Onze Minister stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen in
kennis van:
a. de gevallen waarin, naar zijn oordeel, een derde land geen waarborgen
voor een passend beschermingsniveau biedt in de zin van artikel 76, eerste
lid, en
b. van een vergunning als bedoeld in artikel 77, tweede lid.
2. Indien zulks voortvloeit uit een besluit van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese Unie, bepaalt Onze Minister
bij ministeriële regeling of bij beschikking dat:
a. de doorgifte naar een land buiten de Europese Unie is verboden;
b.
een land buiten de unie geacht wordt een passend beschermingsniveau te
waarborgen, of
c. een op grond van artikel 77, tweede lid, verleende
vergunning wordt ingetrokken of gewijzigd.
3. De in het eerste lid, onder
a en b, bedoelde kennisgevingen worden gepubliceerd in de Staatscourant.
HOOFDSTUK 12
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 79
1. Binnen een jaar na inwerkingtreding van deze wet worden de
gegevensverwerkingen die op dat tijdstip reeds plaatsvonden, in
overeenstemming gebracht met deze wet en worden deze gemeld als bedoeld in
artikel 27 bij het College of de functionaris. Bij algemene maatregel van
bestuur kan de termijn, bedoeld in de eerste volzin, worden verlengd tot ten
hoogste drie jaren voor wat betreft de verplichting tot melding.
2. Voor de
aanpassing van de verwerking van bijzondere gegevens aan paragraaf 2 van
hoofdstuk 2 geldt een termijn van drie jaren met dien verstande dat voor
verwerkingen die al plaatsvonden en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
overeenkomsten tot stand gekomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet, niet opnieuw toestemming behoeft te worden gevraagd als bedoeld in
artikel 23, eerste lid, onder a.
3. Artikel 32, tweede lid, is niet van
toepassing op de verwerkingen als bedoeld in artikel 31, eerste en derde lid,
die reeds plaatsvonden op het moment van inwerkingtreding van de wet,
onderscheidenlijk van de wet of algemene maatregel van bestuur waarbij zij
zijn aangewezen.
Artikel 80
Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties zenden binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze
wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
van deze wet in de praktijk.
Artikel 81
De Wet persoonsregistraties wordt ingetrokken.
Artikel 82
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 83
Deze wet wordt aangehaald als: Wet bescherming persoonsgegevens.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan
de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De Minister van Justitie,
De Minister van Grote Steden- en Integratiebeleid.