Genealogie
![]()
| Woordenboek der Nederlandsche Taal 8ste dl., 1916: KROCHT -KROFT- Znw. m., vr. en onz., mv. -en. Nnl. crocht(e), croft(e); ags croft, meng. crofft, neng croft. Van onbekenden oorsprong. 1) Een hooge zandgrond, of een op hooge zandgrond aangelegde akker, in 't bijzonder toegepast op akkers in de duinen. Soms als eigennaam; zie b.v. BOEKENOGEN 521 / Hoede ghy alleen den Schapen op eenighen crocht? COORNHERT, Odyss. 1,42. Deen maeckte crochten, dander thuynen en hecken, VALCOOGH, Chron. v.d. Sype 53. Al 't vlak om ... Leeuwaarde, Franeker, Dokkom, Bolswaaert lagh meest ooverstroomt; en weeigh kroften, die uitkeeken, HOOFT, N.H. 217. Ten Zuyden lagh de Wey; op 't Noorderlick verand'ren Van Wey in drooge kroft, daer deelde 't spoor het scheel, HUYGENS 1,32. Een Bron van Levens vocht Brengt Hy uyt droge krocht En uyt een dorr' woestijn, v. LODENSTEYN, Uytsp. 1,51. Holland ..., Waar 't voorgeslacht uit wier en krocht Een paradijs van wondren wrocht, SPANDAW 4, 201 (ed. 1857). 2) Een tusschenveld, een nog niet uitgegraven stuk land te midden van veenderijen. // Veenen, waar ... het weinige vee op krochten of tusschen velden graast, die nog niet ingestoken zijn, waarop vrij goed hooi groeit, BERKHEY, NH. 9,10. Aanm. Niet altijd is met zekerheid te zeggen, in welken zin krocht bedoeld is: zie BOEKENOGEN 520; verg. ook ANTONIDES 1, 136; 3, 39; HUIZINGA BAKKER, Poëzy 1,89; BERKHEY, N.H. 1,75; dez. Eerb. Proefk. 245. Bij de genoemde dichters is 't stellig als synoniem van land, veld, streek gebruikt, zonder dat er een nauwkeurigen beteekenis aan gehecht wordt. Samenst. Krochtland ("Een perceel Wei- of Hooiland, zijnde Krochtland, ... gelegen ... in het Oosteinde der gemeente Voorburg", Haarl. Cour. v. 24 Sept. 1857, bl. 2). - Als tweede lid. Korenkrocht ("De Koorn-Krochten, diens Halmen ... vry hoogh stonden", Holl. Merc. 1672, 68); teelkrocht. |
|
